Al eerder heb ik in mijn mijmeringen aangegeven dat ik het ergste vrees voor de horeca. De bedrijfstak is bijna in zijn geheel afhankelijk van de cashflow, dat wil zeggen dat er naast de inkomende en uitgaande geldstromen geen reserves zijn. Het geld dat binnenkomt is dus tevens het geld dat je nodig hebt om rekeningen te betalen. Overschotten in deze cashflow is het salaris van de kroegbaas. Dat wil zeggen dat zo’n kroegbaas bij een grotere omzet ook meer inkomen geniet. Als een bedrijf wat groter is dan zal een kroegbaas zijn salaris vooraf bepalen en de uitgaven hiervan bij de uitstromende kostenstroom tellen. Dan houdt hij of zij een bepaald inkomen, ongeacht de inkomsten of uitgaven. Komt er meer geld binnen dan alle kosten bij elkaar opgeteld  dan wordt er gereserveerd voor: nieuw meubilair, onderhoud, apparatuur of voor slechtere tijden. Deze luxe kunnen de meestal wat kleinere kroegen zich maar beperkt veroorloven. Vaak is de omzet afhankelijk van een paar grote evenementen per jaar zoals carnaval of kermis. De rest van het jaar teert men een beetje in.  Onder de streep kunnen zo best wel veel kroegen overleven.

Maar nu hebben we een 1,5 meter maatschappij en te maken met afgelaste evenementen zoals kermissen en carnavalsvieringen. Dan kan  het zijn dat zomaar 2/3 van de omzet en winst wegvalt. Bovendien mag de kroegbaas in zijn cafeetje nog maximaal de helft van het aantal gasten ontvangen. Je hoeft geen economie te hebben gestudeerd om dan de gevolgen in te zien. Deze kroegen zullen niet levensvatbaar meer zijn. Omdat de kroegbazen vaak geen vermogen of onroerend goed bezitten, maar wel knellende contracten met torenhoge kosten is sluiting onvermijdelijk.

Dit zal een kaalslag betekenen. En die is al ingezet. De studenten, die vaak de flexibele schil waren qua arbeid in het café, zijn al sinds maart zonder inkomen. Ook daar komt de klap hard aan.
Ik vermoed dat 2/3 van alle cafés de deuren zal moeten sluiten binnen nu en een half jaar. Nu al  wordt aangegeven dat qua groot evenement carnaval 2021 op de buik geschreven kan worden. Met dat vooruitzicht zal ook zelfs in Brabant uiteindelijk het licht uitgaan.

Hoe ziet er dan een wereld uit als bijna alle kroegen er niet meer zijn?
Uiteraard zullen er een aantal over blijven. Die zullen hun omzet moeten gaan maken op minder vierkante meters en dus met minder bezoekers. Bezoekers bepalen de omzet en een mens gaat niet meer drinken als er minder mensen in zijn omgeving zijn. Eerder minder, omdat het lang niet zo gezellig is. De kroegbaas, die in de eerste plaats toch gastheer of gastvrouw is, zal met de beperkende maatregelen ook op moeten treden als politieagent, en als die pandemie voorlopig niet verdwijnt, ook als schoonmaker. Meestal aan het begin van de avond lukt het nog wel om corrigerend op te treden, maar als er de nodige pinten gedronken zijn, geef ik het de kroegbaas toch te doen.  Lapt de kroegbaas de regels aan zijn of haar laars, dan blijven zij in eerste instantie  verantwoordelijk, al zijn het de gasten die in eerste plaats de regels overschrijden. Dat kan bij overtredingen tot grote boetes of zelfs sluiting leiden.

Om toch de torenhoge contracten te kunnen betalen zit er voor de ondernemer maar één ding op: de prijs van consumpties verhogen; en dat niet met een dubbeltje, maar met een factor 2. En hij of zij zal er mee wegkomen, omdat schaarste de markt bepaalt. Mensen willen er toch op uit en geven dan maar meer uit, als het niet anders kan. Daarmee wordt het bezoek aan een café ook elitair. Diegenen die geld genoeg hebben kunnen het nog betalen.

Gevolg hiervan is dat er een grote hausse zal gaan ontstaan in illegale thuis- en schuurfeesten. Feesten waar de 1,5 meter maatregel niet of nauwelijks bestaat, en waar sanitair en sociale hygiëne op een tweede plan staan. De weerstand tegen de maatrelen vanwege de onzichtbare ziekte zal steeds groter worden. Dat betekent dus ook dat de politie en BOA’s  hierop zullen moeten gaan handhaven. En ik moet er niet aan denken als we weer in een lockdownsituatie komen.

Het wordt er al met al niet gezelliger op.